Het skelet van een paard

Het skelet van een paard bestaat uit veel verschillende botten, in totaal ongeveer 210. Al deze botten vormen samen een raamwerk waaraan spieren en andere lichaamsweefsels zich kunnen hechten. Op die manier krijgt het lichaam steun en vorm. Daarnaast zorgt het voor bescherming van de inwendige organen zoals de hersenen, het hart en de longen.

  

Hoe zitten al deze 210 botten dan in het paardenlichaam verdeeld? We beginnen bij de schedel. De schedel lijkt misschien een geheel, maar het bestaat uit 37 beenderen (inclusief drie kleine botjes in elk oor). Als je een keer de kans hebt om naar een paardenschedel te kijken, dan zul je allemaal naden zien die de verbinding vormen tussen de verschillende beenderen. Verder bestaat de onderkaak van het paard uit twee takken. Van de schedel gaan we naar de wervelkolom. De wervelkolom, ook wel ruggengraat genoemd, bestaat uit 54 wervels. Deze zijn als volgt verdeeld: 7 halswervels, 18 borstwervels, 6 lendenwervels, 5 heiligbeenwervels (vergroeid tot één sterk bot) en 15 tot 20 staartwervels. De eerste twee halswervels (de atlas en de axis) vormen een draaigewricht waardoor het paard zijn hoofd in alle richtingen kan bewegen. Aan de wervels zitten de ribben verbonden. Deze 36 ribben vormen samen de ribbenkast, sommige rassen hebben zelfs 37 of 38 ribben. In het midden van de ribbenkast zit het borstbeen. 

 

Als we kijken naar de benen van het paard, zitten er 40 botten in de voorbenen en 40 botten (inclusief het bekken) in de achterbenen. De griffelbeentjes zijn zogenaamde rudimentaire botjes, dit zijn overblijfselen van de voorouders van het paard. Miljoenen jaren geleden liep het eerste paard op vier tenen per been en had het de grootte van een hond. Door de evolutie heen is het paard veranderd, waardoor het nu op één teen loopt. Je kunt dit vergelijken met de middelvinger bij de mens. Het voordeel van deze verandering is dat het paard sneller en langer kan lopen.  

  

Geef een antwoord