Evolutie van het paard

Als je teruggaat in de tijd, miljoenen jaren geleden, dan zal je nergens een paard tegenkomen zoals wij die nu kennen. Het paard heeft namelijk in die miljoenen jaren heel veel veranderingen ondergaan om te worden zoals hij nu is. Er wordt dan ook vaak gezegd dat paarden typisch voorbeelden van de evolutie zijn. Maar wat houdt dit dan precies in? 

 

Evolutie wordt beschreven als een geleidelijk proces waarin een soort (plant- of diersoort) verandert in een andere en meestal complexere of beter aangepaste vorm. Deze veranderingen hangen af van de omgeving waarin een soort leeft. Een dier dat moet overleven in de woestijn zal zich anders aanpassen dan een dier dat moet overleven op de Noordpool. De term ‘overleving van de sterkste’ (‘survival of the fittest’) is dan ook eigenlijk ‘overleving van de best aan de omgeving aangepaste’. Want ook al pak je de sterkste ijsbeer van de Noordpool, als je hem ineens in de Sahara zet dan zal hij dit hoogstwaarschijnlijk niet overleven. Dit is dan een extreem voorbeeld, maar zodra de omgeving van een dier verandert, moet het dier wel mee veranderen, anders zal hij snel uitsterven.  

 

Het allereerste paard kreeg te maken met deze veranderingen in de omgeving. Hij leefde ongeveer 55 miljoen jaar geleden. Het was een klein dier, ongeveer de grootte van een hond (50 cm), met vier tenen aan elke voet. Waarschijnlijk kon hij al wel stappen, draven en galopperen als een paard. Hij leefde in de bossen en at blaadjes van bomen en andere planten.  

In de periode van 55 miljoen tot 39 miljoen jaar geleden vonden er wat drastische veranderingen plaats in het klimaat. Er viel minder regen en bossen maakte plaats voor grasland. Door het ontstaan van grasland moest de voorouder van het paard een aantal aanpassingen doen, zowel fysiek als psychisch. Om van het gras te kunnen leven, werd zijn hoofd langer en kwamen zijn ogen meer aan de zijkant van het hoofd, zodat hij een breed blikveld had tijdens het grazen. De tanden gingen continu doorgroeien, om de slijtage door het gras bij te kunnen houden. Daarnaast werd de blindedarm groter om de vertering van het gras mogelijk te maken. Het paard ging van een beschutte bosrijke omgeving, naar een grote open vlakte. Verstoppen kon niet meer, dus werd vluchten het belangrijkste verdedigingsmiddel. Het paard werd in zijn geheel groter. Om snel weg te kunnen komen werden de benen langer en groeiden de vier tenen samen tot een enkele hoef. De hoeven werden ook hard om zo de verschillende soorten terrein aan te kunnen. De borst werd dieper zodat er ruimte was voor een groot hart en grote longen. En om meer bewust te worden van de omgeving en mogelijke roofdieren, werden de zintuigen aangescherpt.  

 

Maar ook binnen het paard begonnen later duidelijke verschillen te ontstaan, afhankelijk van de omgeving waarin het paard leefde. Kijk maar naar de verschillende rassen die wij vandaag de dag kennen. Veel van deze rassen, nog voor dat de mens zich met de fokkerij ging bezighouden, hebben niet voor niks bepaalde (uiterlijke) kenmerken. Paarden die leven in koude, natte en moerassige klimaten hebben een klein, mollig lichaam met korte benen en oortjes. Dit is zo gebouwd omdat bolvormige oppervlakten minder warmte verliezen aan hun omgeving dan andere vormen. En warmtebesparing is erg belangrijk in deze koude klimaten. Dus hoe bolvormiger je bent, hoe warmer je jezelf kan houden. Een goed voorbeeld van een ras met deze kenmerken is de Shetlander. Aan de andere kant, een paard dat moet overleven in een warmer, droger klimaat heeft weer andere dingen nodig. Warm houden is dan niet het probleem, maar jezelf koel houden wel. Deze paarden hebben daarom een smaller lichaam met lange benen en oren en een korter

Geef een antwoord